In de natuur hebben veel dieren een schutkleur. Dat wil zeggen dat ze een kleur hebben die goed past bij hun omgeving, waardoor ze niet opvallen in hun natuurlijke leefgebied. Groen, bruin en grijs zijn daardoor veel geziene kleuren bij insecten, amfibieën, reptielen en zoogdieren. Dankzij deze kleuren kunnen ze zichzelf een beetje verstoppen voor roofdieren die op ze jagen óf zorgen ze er juist voor dat hun prooi niet door heeft dat het beslopen wordt. Denk maar aan een leeuwin, die met haar lichtbruine schutkleur niet opvalt tussen de planten en grassen van de droge savannes. Samen met de andere vrouwtjes van de groep komt ze zo ongemerkt zeer dicht bij haar prooi.

Maar hoe zit het dan met de dieren die juist wél opvallende kleuren hebben? Je zou denken dat ze daardoor veel te veel in het oog lopen, waardoor ze makkelijk te vangen zijn. Laat staan dat ze ongemerkt een ander dier kunnen besluipen. Toch hebben deze felle kleuren ook belangrijke functies in het dierenrijk. Sterker nog: een felle kleur kan je zelfs redden van een hongerig roofdier!

Felle gifkikkers

Veel gifkikkers hebben bijvoorbeeld felle kleuren. Daarmee zeggen ze eigenlijk ‘Pas op! Als je mij eet wordt je hartstikke ziek! Predatoren zoals vogels, slangen en hagedissen zullen ze daardoor met rust laten. (Of het na één keer proberen, niet weer doen.) Sommige niet-giftige kikkers die in dezelfde gebieden voorkomen, maken handig gebruik van dit gegeven. Zij kopiëren de felle kleuren van hun soortgenoten, waardoor de roofdieren ze uit angst voor vergiftiging met rust laten. Dit noemen ze met een Engels woord ook wel mimicry, oftewel camouflage door het nadoen van een ander dier. Slim!

Waarom hebben dieren felle kleuren?

Vogels hebben ook vaak opvallende kleuren. Deze spelen meestal een rol bij de voortplanting. Denk bijvoorbeeld aan een pauw, die met zijn kleurrijke en imposante verenkleed de vrouwtjes verleid en eventuele concurrenten wegjaagt. Of de fregatvogel die een grote, rode zak op zijn borst opblaast om indruk te maken.

Bonte papegaaien

Toeval of niet, maar vrijwel alle tropische vogels hebben felle kleuren. Neem bijvoorbeeld de verschillende papegaaisoorten. Groen, rood, oranje, blauw of geel: de meest fantastische kleuren zie je voorbijkomen. De reden voor deze kleurrijke verenpracht is een sociale: dankzij de bonte kleuren kunnen de vogels elkaar goed zien en herkennen in de verder vrij monotoon gekleurde landschappen waar ze wonen.

In een overwegend groene jungle, met een dicht bladerdak, zou een volledig groene papegaai niet opvallen. Maar dankzij hun herkenbare kleuren én het lawaai die ze maken, kunnen deze sociale dieren elkaar makkelijk vinden. De papegaai met de meest tot de verbeelding sprekende kleuren én de kleurrijkste naam is de Lori van de Blauwe Bergen. Het is een regenbooglori die leeft tussen de blauwgroene eucalyptusbomen die de Blauwe Bergen in Australië hun naam gaven. Dit is misschien wel het bontste dier van allemaal!

 

 

Laat een reactie achter