De ijsbeer: volledig aangepast aan zijn omgeving

Tal van dieren hebben zich in de loop van duizenden tot miljoenen jaren fysiek aangepast aan de omgeving waarin ze leven. Van het voedsel dat ze eten tot de huid die hun moet beschermen: vrijwel alle kenmerken van een dier hebben een specifieke functie die er voor heeft gezorgd dat het dier zo lang kon overleven en zo zijn welverdiende plekje in het dierenrijk heeft veroverd. Een mooi voorbeeld van zo’n dier die volledig is aangepast aan zijn omgeving is de ijsbeer. Niet alleen kan hij door zijn dikke vacht en huid uitstekend tegen de kou: zijn hele manier van leven is in balans met de soms barre omstandigheden op de bevroren vlaktes van de Noordpool.

 

‘Witte’ vacht, maar zwarte huid

Ten eerste zijn mooie witte vacht die hem voldoende camouflage geeft in zijn leefomgeving. Eigenlijk is deze helemaal niet wit, maar heeft hij een zwarte huid en holle, doorzichtige haren. De doorzichtige haren ‘transporteren’ de warmte van de zon naar de zwarte huid die deze veel beter vasthoud dan een witte huid zou doen. Zwart absorbeert warmte en wit weerkaatst het. Zo maakt de ijsbeer optimaal gebruik van de zon om op te warmen of zijn vacht te drogen na een zwempartij.

Dan heb je nog de voetzolen van de ijsbeer. Deze heeft kleine kussentjes die precies de juiste mate van grip geven tijdens het lopen op het gladde ijs. Daarnaast zijn ze heel lang, wel 30 centimeter. Hierdoor wordt het gewicht van het dier goed verdeeld. Een ijsbeer kan snel rennen: hij haalt zomaar 40 kilometer per uur. Dat doe je niet snel na, zelfs niet op een fiets! Als hij toch per ongeluk uitglijdt, kan hij dat herstellen door zijn scherpe nagels in het ijs te slaan.

 

Maandenlang zonder voedsel

Je kunt je voorstellen dat op de Noordpool voedsel niet altijd voor handen is. Daarom kunnen ijsberen hele lange tijd overleven zonder voedsel. Wanneer een ijsbeer jongen krijgt, kruipt ze in een kleine, zelf gegraven ijsgrot om die vervolgens maandenlang niet te verlaten terwijl ze haar jongen baart en zoogt. Tijdens die kraamperiode eet en drinkt ze 3 tot 4 maanden helemaal niets. Pas als haar jongen er aan toe zijn, verlaten ze hun schuilplaats. Het spreekt voor zich dat ze dit alleen kan doen als ze in de tijd daarvoor een flinke (vet)reserve heeft opgebouwd. Zeehonden voorzien voor een groot deel in deze reserves door hun dikke speklaag en zijn dan ook een belangrijke voedselbron voor dit volledig aangepaste roofdier.